Terwijl zeven en negen jaar trainen in het bos loop ik los van de rest een platgetreden pad. Op zoek naar één tel niet. Gehijg in mijn rug. Hij als mij. Zij zo’n tien of elf. Hobbelend achter hem. Hij zegt: “Kom even doorgaan. Je moet je grenzen verleggen”.
Moeten.
Verleggen.
Grenzen.
Verleggen .
Moeten.
Grenzen.
Verleggen.
Het hangt even boven mij, fladdert wat en pikt me dan midden op de neus.
Angst voor de dood.
Daarom verleggen we altijd grenzen.
Dat moet.










